object - WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak

Woordafbreking

  • ob·ject

Woordherkomst en -opbouw

  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorwerp’ voor het eerst aangetroffen in 1500 [1]
  • met het voorvoegsel ob-
enkelvoud meervoud
naamwoord object objecten
verkleinwoord objectje objectjes

Zelfstandig naamwoord

hetobjecto

  1. voorwerp dat fysiek bestaat
     En de Amerikaanse Chandrasatelliet heeft röntgenstraling van het centrale object waargenomen.[2]
     Het is een natuurlijk wezen dat bewerkt moet worden en iedere slager, die liefde voor zijn vak heeft, zal trachten, dit kostbaar object op de juiste manier van huid en organen te ontdoen daarbij rekening houdend dat niets geweld wordt aangedaan, dus ook de natuurlijke hechtingen en scheidingen worden gevolgd.[3]
  2. (grammatica) voorwerp
  3. (filosofie) entiteit die behandeld wordt en waarvan het bestaan onafhankelijk wordt geacht van het subject
     Het object van de voorstelling wordt volgens Schopenhauer - net als bij Kant - altijd bepaald door een raster van vormen die in het bewustzijn van het subject aanwezig zijn.[4]
     In de voorstelling kunnen subject en object van de voorstelling onderscheiden worden.[4]
  4. (informatica) in objectgeoriënteerd programmeren: een component die gegevens en/of programmacode bevat

Synoniemen

Hyponiemen

Afgeleide begrippen

Vertalingen

    3. filosofische entiteit en 4. informaticacomponent   

Gangbaarheid

99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

Engels

Uitspraak

enkelvoud meervoud
object objects

Zelfstandig naamwoord

object

  1. voorwerp,  object zn  [1]
  2. (grammatica) grammaticaal voorwerp, object [2]
vervoeging
onbepaalde wijs to  object 
he/she/it  objects 
verleden tijd  objected 
voltooid
deelwoord
 objected 
onvoltooid
deelwoord
 objecting 
gebiedende wijs  object 

Werkwoord

object

  1. onovergankelijk protesteren, bezwaar maken, zich verzetten
  2. overgankelijk als tegenargument aan-/opvoeren