object - WikiWoordenboek
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ob·ject
Woordherkomst en -opbouw
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorwerp’ voor het eerst aangetroffen in 1500 [1]
- met het voorvoegsel ob-
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | object | objecten |
| verkleinwoord | objectje | objectjes |
Zelfstandig naamwoord
het object o
- voorwerp dat fysiek bestaat
- ▸ En de Amerikaanse Chandrasatelliet heeft röntgenstraling van het centrale object waargenomen.[2]
- ▸ Het is een natuurlijk wezen dat bewerkt moet worden en iedere slager, die liefde voor zijn vak heeft, zal trachten, dit kostbaar object op de juiste manier van huid en organen te ontdoen daarbij rekening houdend dat niets geweld wordt aangedaan, dus ook de natuurlijke hechtingen en scheidingen worden gevolgd.[3]
- (grammatica) voorwerp
- (filosofie) entiteit die behandeld wordt en waarvan het bestaan onafhankelijk wordt geacht van het subject
- (informatica) in objectgeoriënteerd programmeren: een component die gegevens en/of programmacode bevat
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- objectcode, objectentheater, objectgeoriënteerd, objectglaasje, objectglas, objectoriëntatie, objecttaal, objecttafel, objectzin
Vertalingen
3. filosofische entiteit en 4. informaticacomponent
Gangbaarheid
- Het woord object staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "object" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[5] |
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Verwijzingen
- ↑ "object" in:
Sijs, Nicoline van der
, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3 - ↑ “Nieuws uit de kosmos” (2024), Fontaine Uitgevers
, ISBN 9789464043075 - ↑
Manik Sarkar
“Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696 - 1 2
Paul van Tongeren
“Nietzsche” (2020), Amsterdam University Press
, ISBN 9789048529407 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Engels
Uitspraak
- Geluid:
- (zelfstandig naamwoord) object (VS) (hulp, bestand)
- (werkwoord) object (VS) (hulp, bestand)
- IPA:
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| object | objects |
Zelfstandig naamwoord
object
- voorwerp, object zn [1]
- (grammatica) grammaticaal voorwerp, object [2]
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to object |
| he/she/it | objects |
| verleden tijd | objected |
| voltooid deelwoord |
objected |
| onvoltooid deelwoord |
objecting |
| gebiedende wijs | object |
Werkwoord
object
- onovergankelijk protesteren, bezwaar maken, zich verzetten
- overgankelijk als tegenargument aan-/opvoeren